Pers.B.: Belastingvrije som
De belastbare som bestaat in principe uit
twee componenten. Enerzijds de basisbedragen en anderzijds een
toeslag voor personen ten laste. Daarnaast moet rekening gehouden worden met een aantal bijzondere
aspecten die van belang zijn voor de berekening.
- Wat betreft de basisbedragen
| Basisbedragen (art. 131 W.I.B. 1992) |
2003 |
2004 |
2005 |
| Alleenstaande |
5 480,00 |
5 570,00 |
5 660,00 |
| Elke echtgenoot |
4 350,00 |
4 610,00 |
5 660,00 |
| Verhoging handicap (1) |
1 160,00 |
1 180,00 |
1 200,00 |
(1) Deze verhoging geldt ook voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en die één of meer kinderen
ten laste heeft en
wanneer voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samenwoning een
aanslag per belastingplichtige wordt
gevestigd. En voor zover de echtgenoot tijdens het jaar geen
bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 2.410 (AJ 03),
2.450 (AJ 04) en 2.490 EUR (AJ 05)
netto bedragen (art. 133 W.I.B. 1992)
- Wat betreft de personen ten laste
| Personen ten laste (art. 132 W.I.B. 1992) (1) |
2003 |
2004 |
2005 |
| Voor 1 kind ten laste |
1 160,00 |
1 180,00 |
1 200,00 |
| Voor 2 kinderen ten laste |
3 000,00 |
3 050,00 |
3 090,00 |
| Voor 3 kinderen ten laste |
6 720,00 |
6 830,00 |
6 940,00 |
| Voor 4 kinderen ten laste |
10 860,00 |
11 040,00 |
11 220,00 |
| Voor elk extra kind |
4 150,00 |
4 220,00 |
4 280,00 |
| Voor iedere andere persoon ten laste |
1 160,00 |
1 180,00 |
1 200,00 |
| Verhoging voor kind < 3 jaar (2) |
430,00 |
440,00 |
450,00 |
-
Wat betreft de aanrekening bij gezamenlijk ouderlijk gezag, gelden de volgende regels (art. 132bis W.I.B. 1992).
Wanneer de vader en de moeder van een of meer kinderen ten laste, recht gevende op aftrek voor kinderen
ten laste, geen deel uitmaken van hetzelfde gezin, maar gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over
hun gemeenschappelijke kinderen en er het gezamenlijke hoederecht over hebben, worden de in voormeld
artikel bedoelde toeslagen waarop die kinderen recht geven, verdeeld over de beide ouders, op voorwaarde
dat zij daartoe gezamenlijk een schriftelijke aanvraag indienen die bij hun aangifte van de
inkomstenbelastingen dient te worden gevoegd. Deze aanvraag geldt slechts voor één aanslagjaar.
Ze kan niet worden herroepen.
-
In dat geval worden de toeslagen waarop de gemeenschappelijke kinderen recht geven, en die vastgesteld
worden ongeacht of er al of niet andere kinderen zijn in het gezin waarvan zij deel uitmaken, voor de
helft toegekend aan de ouder bij wie de gemeenschappelijke kinderen hun fiscale woonplaats niet hebben,
en wordt het totaal van de toeslagen waarop de andere ouder recht heeft, met eenzelfde bedrag verminderd.
- Wat betreft de aanrekening van de belastingvrije som, moeten volgende bepalingen gevolgd worden (art. 134 W.I.B. 1992)
-
De belastingvrije som wordt per belastingplichtige vastgesteld als het totaal van het,
eventueel verhoogde, basisbedrag. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de
toeslagen aangerekend bij die belastingplichtige met het hoogste belastbare inkomen.
-
Wanneer het belastbare inkomen van één van beide belastingplichtigen lager is dan zijn belastingvrije som,
wordt het saldo bij de belastingvrije som van de andere belastingplichtige gevoegd.
-
De belastingvrije som wordt per belastingplichtige aangerekend op de opeenvolgende
inkomensschijven, te beginnen met de eerste.
-
Het deel van de belastingvrije som dat na toepassing van deze bewerkingen niet is aangerekend,
wordt in de mate dat het betrekking heeft op de toeslagen enerzijds voor kinderen ten laste en
anderzijds voor kinderen die de leeftijd van 3 jaar niet hebben bereikt op 1 januari van het aanslagjaar
waarvoor de uitgaven voor de oppas van die kinderen niet is afgetrokken, omgezet in een terugbetaalbaar
belastingkrediet. Dat belastingkrediet is gelijk aan het deel van de belastingvrije som dat aldus kan
worden omgezet, vermenigvuldigd met het tarief van de corresponderende inkomensschijf, met een maximum
van 330 (AJ 2003), 340 (AJ 2004), 350 (AJ 2005) EUR per kind ten laste.
- Om als gehandicapt te worden aangemerkt, moeten de voorwaarden vervuld worden (art. 135 W.I.B. 1992).
-
Diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en
vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar:
-
ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of
minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen
-
ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten
minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van
toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten
-
ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in de wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder
-
ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 procent blijvend
lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard ;
-
Het kind dat tot ten minste 66 procent is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of
geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
Om als ten laste van de belastingplichtigen te worden aangemerkt, moet de betrokkene deel uitmaken van
hun gezin op 1 januari van het aanslagjaar en mogen zij persoonlijk in het belastbare tijdperk geen
bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 2.410 (AJ 2003), 2.450 (AJ 2004), 2.490 EUR (AJ 2005)
netto bedragen (art. 136 W.I.B. 1992):
- hun kinderen
- hun ascendenten
- hun zijverwanten tot en met de tweede graad
- personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest.
De kinderen van wie alle belastbare inkomsten worden samengevoegd met die van hun ouders,
worden ten laste van deze laatsten beschouwd, ongeacht de omvang van hun inkomsten (art. 137 W.I.B. 1992).
Een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de
belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar
te zijnen laste was of het tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is (art. 138 W.I.B. 1992).
Ingeval een ascendent, hun zijverwanten tot en met de tweede graad en personen van wie de
belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, en die ten laste zijn,
in het belastbare tijdperk is overleden, wordt hij geacht deel uit te maken van het gezin van de
belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat hij reeds voor het vorige aanslagjaar
te zijnen laste was (art. 139 W.I.B. 1992).